Novelette (van Poulenc)

‘Ach Hanna,’ zei ik, ‘gecondoleerd. Wat een akelige reden om elkaar weer te spreken.’
‘Ze heeft het toch nog een jaar volgehouden,’ zei Hanna, ‘het lijkt wel of ze heeft gewacht op de geboorte van haar eerste kleinkind.’

Haar ouders hadden elkaar via de muziek leren kennen en hadden altijd samen gemusiceerd: moeder op cello en vader op piano.
Twee jaar geleden heb ik op zijn uitvaart gespeeld: preludes van Bach en Chopin.

‘Wat willen jullie graag horen?’
‘De Pavane van Ravel,’ zei Hanna.
‘Die is erg mooi op cello en piano,’ zei ik, ‘en verder? Er staan luistervoorbeelden op m’n site.’
‘Het Arioso van Bach. En we zoeken nog naar een derde stuk, maar we weten de componist niet.’
‘Tsja, dat wordt lastig. Kun je het voor me zingen, misschien herken ik het wel.’
Ze zong iets vaags. De titel wist ze ook niet meer. Het was vorig jaar door Evert, haar broer, van een oud jankend cassettebandje op cd overgezet.
‘Mama heeft er tot het laatst naar geluisterd,’ vertelde Hanna.

‘Dat stukje, ik denk dat we het weten,’ Hanna klonk blij. ‘Evert heeft een oud stencil gevonden van een leerlingenconcert. Het staat natuurlijk net op de vouw, maar de titel is nog wel te zien: Novelle, Nouvelle, zoiets.’
‘Novelette, van Schumann?’ schrok ik, ‘maar dat is voor piano solo. Wacht, ik leg je even neer op de vleugel, dan speel ik het voor je.’
Ik pakte mijn boek uit de kast en speelde het begin van de eerste, nogal virtuose Novelette.
‘Deze?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Deze misschien?’, opperde ik hoopvol en speelde een Novelette van Kabalevski die ook door een van mijn pianoleerlingen was gespeeld. Nee, ook niet.

‘Poulenc, de derde Novelette,’ belde Hanna een paar uur later, ‘die moet het zijn.’ Evert had de kopieën in een stapel ouwe bladmuziek gevonden.
‘Voor cello en piano?’, vroeg ik verbaasd.
Ze aarzelde, Evert had het op zijn iPhone beluisterd en had haar de titel doorgegeven. Nee, hij was net weg.
‘Maak je geen zorgen, dit komt wel goed,’ stelde ik haar gerust.

‘Heb jij een cellobewerking van die Novelette van Poulenc?’ vroeg ik aan mijn celliste.
‘Nee, maar ik heb hier op YouTube een versie voor klarinet en gitaar, die klinkt niet erg ingewikkeld.’
‘Dan moeten we daar maar iets van maken,’ besloot ik, ‘ik kan jouw cellopartij destilleren uit de pianopartij. Het zijn maar vier bladzijden en als jij de melodielijn van me overneemt, hoef ik er niet meer zo hard op te studeren.’
Ze grinnikte. ‘Ik mik het straks wel op de mail,’ beloofde ik en ging aan het werk.
Een uur later belde ik haar terug: ‘Aan het eind zitten wat bijzondere akkoorden, van die typische Poulenc-klanken. Vanavond moeten we samen maar even uitzoeken wat het mooist is.’

Na de uitvaart spraken we nog even met Hanna en Evert.
‘Fijn dat jullie die Novelette hebben gespeeld,’ zei Hanna.
‘Ja,’ beaamde Evert, ‘we hebben er dierbare herinneringen aan. Ik heb alleen nooit geweten dat er een cellobewerking van bestond, wat zouden onze ouders dát graag samen hebben gespeeld.’
Ik keek hem verbaasd aan.
‘Het was hun lievelingsstukje, papa speelde het altijd voor haar op de piano.’

Tooske Hinloopen – 3 mei 2016

Geplaatst in Musicolumn | Een reactie plaatsen

Gershwinprelude

Gershwinprelude

Omdat het steeds harder ging regenen was ik het antiquariaat ingevlucht. Overal muziekboeken: dubbele rijen op de planken, verzamelbundels in gekleurde kratten op de toonbank, Taschenpartitüre in een rekje ernaast en op een lessenaar stond een Facsimile-uitgave van een Bachkantate.
‘Goedemiddag,’ klonk een vriendelijke stem. Vanachter een stellage gevuld met minstens drie Gottmer Componistenreeksen kwam een grijze heer tevoorschijn.
‘Dag meneer,’ ik zette mijn natte tas op de grond, ‘leuk winkeltje heeft u, mag ik even rondkijken?’
‘Natuurlijk, ga je gang. Ben je op zoek naar iets speciaals?’
‘Heeft u pianomuziek?’
Hij knikte en wees op de rode krat links op de toonbank, ‘en hier heb ik een doos, die is net binnengekomen, komt uit de inboedel van een overleden pianist.’
Bij het pakken van de doos viel een stapeltje goudgele Eulenburg zakpartituurtjes op de grond. Hij raapte ze op en legde ze achter zich op een zwarte cassette waarin The New Grove Dictionary of Music and Musicians zat.
Ik snuffelde in de doos, uitgaves van Donemus, grafische partituren Edition Schott en veel Poolse en Russische boeken.
‘Het meeste ken ik niet,’ constateerde ik spijtig.
‘Beneden, als je de trap af gaat aan de linkerkant, is nog meer.’
Voorzichtig liep ik het smalle krakende trapje af dat leidde naar een klein keldertje. De kasten stonden vol met kratten waarop witte vellen papier waren geplakt met de letters van het alfabet erop. De B was rijkelijk vertegenwoordigd: drie kratten met Beethoven, Brahms en Bach.
Op een klein tafeltje in het midden was een krat bovenop een andere blijven staan. Mijn oog viel op een Gershwin-album en ik begon er in te bladeren. Bewerkingen van songs als Lady be Good, I got Rhythm, en de Rhapsody in Blue. Aan het eind stonden drie preludes. Maar het was een prijzig dik boek en ik ging met lege handen weer naar boven.
De winkeleigenaar was bezig een stapel koorstukken uit te zoeken.
‘Speel je piano?’, vroeg hij.
‘Ja.’
‘Al lang?’, hij was echt geïnteresseerd.
‘Ik zit op het Conservatorium. In het eerste jaar.’
‘Oh, wat leuk.’ Hij gebaarde naar een bananendoos in de hoek en zei: ‘Misschien zit daar iets voor je bij.’
Het waren mooie uitgaves: Henle Mozartsonates met een harde kaft, twee bundels Scarlatti van Ricordi Edizioni en de Children’s Corner van Debussy in een luxe Franse druk met tekeningen van de componist. Helemaal aan het eind zat een vaalrose kaft die verdwaald was tussen een paar Schubertbundels. Gershwin, preludes for piano, zag ik erop staan en ik trok hem tussen de Wandererfantasie vandaan. Leeg, jammer. Maar toen ik hem terug wilde zetten zag ik onderin wat muziekvellen die als een trekharmonica in elkaar waren gedrukt. Het binnenwerk. Ik viste de verfomfaaide vellen eruit.
Wijzend naar het Muzieklexicon van Theo Willemze, opperde ik: ‘Misschien moet u er iets zwaars opzetten.’
De man pakte de papierpulp van me aan: ‘Ach meisje, da’s de dood in de pot.’
Hij hield het smoezelige schriftuurtje in de lucht alsof het een dooie muis was en zei toen: ‘Hier, neem maar mee, breng jij het maar tot leven.’

Tooske Hinloopen – April 2016

Geplaatst in Musicolumn | Een reactie plaatsen

Het sjaaltje (Frühlingslied van Mendelssohn)

Een kringloopwinkel, een sjaaltje, een etiketje en een naam. Ach, mevrouw Eberhardt. Ik heb haar zeker tien jaar op pianoles gehad…

Wanneer ze binnenkwam, hing ze haar mantel met een zwierig gebaar aan de kapstok, haar sjaal eroverheen. Zachte wol of soepele zijde, al naar gelang het seizoen.
Ze droeg meestal een kokerrok of pantalon met een linnen bloesje erop. In de winter een extra vest of een truitje, alles afkomstig uit de betere modehuizen.
‘Mijn moeder was couturière, ik heb mijn hele leven in maatkleding gelopen,’ vertelde ze een keer, terwijl ze met een geborduurd zakdoekje een pluisje van haar Pradapumps afveegde.
Meestal kwam ze ietsje te vroeg en vanuit mijn ooghoek zag ik hoe ze plaats nam op het fauteuiltje schuin achter de vleugel.

Als de leerling vóór haar muziek speelde die haar aansprak, wilde ze meer weten. ‘Hoelang speel je al?’
‘Ik denk vanaf mijn achtste,’ antwoordde Gaspard terwijl hij vragend naar mij keek.
‘Je was nog klein toen je begon,’ reageerde ik, ‘ik denk dat je nu bijna tien jaar speelt.’
‘Geweldig hoor, om daar zo jong mee te beginnen,’ mevrouw Eberhardt klonk wat weemoedig, ‘en wat was dat voor stuk dat je net speelde?’
‘Mendelssohn, Lied ohne Worte, het Frühlingslied,’ zei Gaspard trots.
‘Erg mooi,’ vond ze en naar mij kijkend vervolgde ze: ‘wanneer kan ik dat spelen?’
‘Tsja, dat ligt eraan, na die etudebundel zit u al aardig in de buurt,’ gokte ik.
Terwijl Gaspard zijn boeken inpakte, ging mevrouw Eberhardt vast zitten op de pianokruk en speelde een walsje.
‘Wat een leuk stukje,’ reageerde ik verrast, ‘waar is dat van?’
‘O kind, ik rommel maar wat,’ zei ze en na een briljante riedel met haar rechterhand pakte ze het etudeboek waar we uit gingen werken.

Ze had geen kinderen en na de dood van haar man was ze, op haar zeventigste, begonnen met pianolessen. Eerst had ze vijf jaar les gehad bij Leo, een collega, die haar binnen de kortste keren veel te moeilijke stukken had laten spelen. Ik kon me enigszins voorstellen hoe dat gegaan was.

Zij, met een twinkeltje in haar ogen: ‘Ach Leo, dat wil ik zo graag spelen, hoor maar, het begin lukt al,’ waarna ze met veel pedaal een stukje van de Sonate Facile van Mozart had geproduceerd.
Hij, de laatste om haar muzikale geefstdrift te temperen: ‘Vooruit dan, als u het langzaam oefent en zonder pedaal.’

Mij probeerde ze ook wel ‘s over te halen: ‘Nu kan ik dit toch wel? Luister dan,’ en hup, daar ging ze.
Maar ze had goede oren aan haar hoofd, ze hoorde perfect wanneer haar spel wel of niet deugde.
En ik hield voet bij stuk: ‘Sorry, mevrouw Eberhardt, ik begrijp uw enthousiasme, maar we moeten eerst werken aan uw techniek en pedaalgebruik, anders wordt het niks met Mendelssohn of Schumann.’

Ze heeft drie stevige etudebundels doorgewerkt.
Zorgvuldig. Gedegen. Noot voor noot.
De Lieder ohne Worte van Mendelssohn kwamen in zicht.
Haar glimmende ogen na haar topprestatie: het Frühlingslied.
‘Mevrouw Eberhardt,’ zei ik, ‘ik ben zó trots op u. Het was heel muzikaal en een genoegen om naar te luisteren.’
Ze knipperde een paar keer snel met haar ogen en pakte haar kleine zakdoekje om ze droog te deppen.

Twee jaar later is ze onverwachts weggebleven. Niks voor haar, dus ik heb gebeld, kreeg geen gehoor, heb een kaartje gestuurd en toen ik een maand later nog eens belde was de lijn dood…

Een etiketje, een nummer en een naam. Ach, mevrouw Eberhardt. Langzaam strijkend over het zachte zijden sjaaltje en loop ik naar de kassa om een euro af te rekenen.

 

Tooske Hinloopen – Zutphen, 10 juni 2016

 

Geplaatst in Musicolumn | Getagged | Een reactie plaatsen

Grootvaders Klok

‘Kijk eens wie daar is.’ Verwachtingsvol volgde ik de blik van de zuster naar de deur.
‘Opa,’ reageerde ik blij. Mijn grootvader liep op me af en omhelsde me. Zijn hoed viel op het bed en mijn wang werd nat van de regen die een zachte waas op zijn jas had achtergelaten.
‘Shimna toch, kindje, hoe gaat het met je?’ Hij deed zijn jas uit en legde die achter op de reling van het ziekenhuisbed.
‘Goed, ik mag al bijna naar huis,’ antwoordde ik trots.
‘Je hebt de hartelijke groeten van oma. En kijk eens wat ik heb meegebracht.’ Hij overhandigde me een klein blauw gestreept pakje waar een wit strikje omheen zat.
‘Voor jou. Asjeblieft.’
Voorzichtig maakte ik het open.
‘Oh, dank u wel!’
Een jongetje met een schooltasje op zijn rug keek omhoog naar een vogeltje.
Ik keek naar de titel. Best moeilijke tekst, vond ik, maar dat durfde ik niet te zeggen.
‘Het zijn liedjes die je straks op school gaat leren,’ zei mijn grootvader, ‘zal ik er eentje voor je zingen?’
‘Ja, ja, fijn. Leuk.’ Ik duwde hem het boekje in zijn handen.
Hij pakte een stoel en ging er echt voor zitten. De stoel kraakte gevaarlijk onder zijn stevige postuur, maar hield stand.
Zachtjes, om de andere kinderen op het zaaltje niet te storen, zong hij het versje aan me voor: ‘Daantje zou naar school toegaan.’
‘Wat een mooi liedje,’ zei ik, en na enig aarzelen: ‘Oma zegt ook wel ’s Daantje tegen u.’
Grootvader glimlachte en legde het boekje toen op het kastje naast mijn bed.
‘Volgende keer zing ik het tweede versje,’ beloofde hij.
Ik keek naar zijn indrukwekkende pak. Donkergrijs, net geen zwart, dacht ik. Antraciet, zou ik nu denken. Strakgespannen om zijn buik. Het vest eronder subtiel zichtbaar en het kettinkje van zijn horloge hing eronder uit.
Ik vroeg: ‘Mag ik uw horloge opwinden?’
‘O ja, dat is hoog nodig,’ jokte mijn grootvader. Het horloge hoefde maar een keer per week opgewonden te worden en als ik kwam logeren mocht ik het vaak onder zijn strenge leiding doen.
Ik nam het horloge in mijn vijfjarige kinderhandje en draaide voorzichtig aan het knopje erboven. Niet terugdraaien, en ik moest stoppen als ik voelde dat het veertje weer gespannen was. Nooit forceren. En ook niet het knopje naar buiten trekken, want dan zou ik de tijd veranderen.
Toen ik klaar was deed grootvader het horloge weer terug in zijn vestzak en hij gaf me een tevreden knipoog.
Daarna moet ik even weggedoezeld zijn. Maar toen ik weer bij was, kwam de zuster binnen: ‘Het bezoekuur is voorbij.’
‘Ja ja, natuurlijk,’ reageerde mijn grootvader.
Hij stond op, deed zijn jas aan en zijn hoed op.
‘Lieve Shimna, word maar snel weer beter.’
‘Ja opa. Mag ik dan komen logeren?’
‘Natuurlijk, oma vindt het heel fijn als je er bent.’
‘Mag ik dan heel lang blijven?’ Ik wist het wel uit te buiten.
Naar mij vooroverbuigend zei hij: ‘Je mag blijven zolang als je wilt.’ Hij gaf me een kus op mijn voorhoofd. Zijn hoed botste tegen het dikke kussen waar ik tegenaan lag en zakte scheef. We moesten allebei lachen.
Met stevige passen liep hij naar de deur.
‘Dag opa,’ ik zwaaide zo hard als ik kon, grootvader tikte tegen zijn hoed en zwaaide terug.

Grootvader’s horloge prijkt nu op mijn moeders schoorsteenmantel, onder een glazen stolpje. Hangt daar zonder verdere taak in het leven mooi te zijn.
Mijn grootvader is op station Haarlem gestorven. Hartpatiënt. Hollend om zijn trein te halen. Het laatste wat hij heeft gedaan, was zijn enige kleindochter bezoeken in het ziekenhuis en een cadeautje voor haar meebrengen. Zijn lieve prachtige schoonschrift: ‘Voor Shimna. 5 juni 1966. Liefs van opa en oma Den Haag.’ Daarna heeft hij net een stapje te hard gehold.

Dag Daantje.

Ach, kon ik dat horloge maar terugdraaien…

 

 

Tooske Hinloopen 25 maart 2016

 

Geplaatst in Musicolumn | Getagged | Een reactie plaatsen

Live muziek

Tooske over haar ervaringen als pianiste bij een uitvaartplechtigheid:

“Het meest bijzondere dat ik heb meegemaakt was een uitvaart van een dame van 94. Ze had geen kinderen. De enige familie die ze nog had was Elisabeth, haar nichtje, die speciaal uit het buitenland was overgekomen. Verder waren er drie verzorgers aanwezig en de uitvaartleidster. De verzorgers hadden verteld dat de dame een liefhebber was geweest van klassieke muziek. Ze had in het verpleeghuis regelmatig muziekuitvoeringen bezocht. Daarom waren mijn violist en ik geëngageerd om haar met onze muziek de laatste eer te bewijzen.

Bij binnenkomst speelden wij Jesu Joy of Man’s Desiring van Bach. Na een woordje van welkom speelden we Salut d’amour van Edward Elgar, waarna Elizabeth de verzorgers en de musici bedankte. We eindigden met De Lente van Vivaldi, hoopvolle muziek. De hele plechtigheid heeft nog geen half uur geduurd.

We waren met weinig, maar door onze muziek werd het een sfeervol en volwaardig afscheid.”

Geplaatst in Musicolumn | Getagged | Een reactie plaatsen