Het sjaaltje (Frühlingslied van Mendelssohn)

Een kringloopwinkel, een sjaaltje, een etiketje en een naam. Ach, mevrouw Eberhardt. Ik heb haar zeker tien jaar op pianoles gehad…

Wanneer ze binnenkwam, hing ze haar mantel met een zwierig gebaar aan de kapstok, haar sjaal eroverheen. Zachte wol of soepele zijde, al naar gelang het seizoen.
Ze droeg meestal een kokerrok of pantalon met een linnen bloesje erop. In de winter een extra vest of een truitje, alles afkomstig uit de betere modehuizen.
‘Mijn moeder was couturière, ik heb mijn hele leven in maatkleding gelopen,’ vertelde ze een keer, terwijl ze met een geborduurd zakdoekje een pluisje van haar Pradapumps afveegde.
Meestal kwam ze ietsje te vroeg en vanuit mijn ooghoek zag ik hoe ze plaats nam op het fauteuiltje schuin achter de vleugel.

Als de leerling vóór haar muziek speelde die haar aansprak, wilde ze meer weten. ‘Hoelang speel je al?’
‘Ik denk vanaf mijn achtste,’ antwoordde Gaspard terwijl hij vragend naar mij keek.
‘Je was nog klein toen je begon,’ reageerde ik, ‘ik denk dat je nu bijna tien jaar speelt.’
‘Geweldig hoor, om daar zo jong mee te beginnen,’ mevrouw Eberhardt klonk wat weemoedig, ‘en wat was dat voor stuk dat je net speelde?’
‘Mendelssohn, Lied ohne Worte, het Frühlingslied,’ zei Gaspard trots.
‘Erg mooi,’ vond ze en naar mij kijkend vervolgde ze: ‘wanneer kan ik dat spelen?’
‘Tsja, dat ligt eraan, na die etudebundel zit u al aardig in de buurt,’ gokte ik.
Terwijl Gaspard zijn boeken inpakte, ging mevrouw Eberhardt vast zitten op de pianokruk en speelde een walsje.
‘Wat een leuk stukje,’ reageerde ik verrast, ‘waar is dat van?’
‘O kind, ik rommel maar wat,’ zei ze en na een briljante riedel met haar rechterhand pakte ze het etudeboek waar we uit gingen werken.

Ze had geen kinderen en na de dood van haar man was ze, op haar zeventigste, begonnen met pianolessen. Eerst had ze vijf jaar les gehad bij Leo, een collega, die haar binnen de kortste keren veel te moeilijke stukken had laten spelen. Ik kon me enigszins voorstellen hoe dat gegaan was.

Zij, met een twinkeltje in haar ogen: ‘Ach Leo, dat wil ik zo graag spelen, hoor maar, het begin lukt al,’ waarna ze met veel pedaal een stukje van de Sonate Facile van Mozart had geproduceerd.
Hij, de laatste om haar muzikale geefstdrift te temperen: ‘Vooruit dan, als u het langzaam oefent en zonder pedaal.’

Mij probeerde ze ook wel ‘s over te halen: ‘Nu kan ik dit toch wel? Luister dan,’ en hup, daar ging ze.
Maar ze had goede oren aan haar hoofd, ze hoorde perfect wanneer haar spel wel of niet deugde.
En ik hield voet bij stuk: ‘Sorry, mevrouw Eberhardt, ik begrijp uw enthousiasme, maar we moeten eerst werken aan uw techniek en pedaalgebruik, anders wordt het niks met Mendelssohn of Schumann.’

Ze heeft drie stevige etudebundels doorgewerkt.
Zorgvuldig. Gedegen. Noot voor noot.
De Lieder ohne Worte van Mendelssohn kwamen in zicht.
Haar glimmende ogen na haar topprestatie: het Frühlingslied.
‘Mevrouw Eberhardt,’ zei ik, ‘ik ben zó trots op u. Het was heel muzikaal en een genoegen om naar te luisteren.’
Ze knipperde een paar keer snel met haar ogen en pakte haar kleine zakdoekje om ze droog te deppen.

Twee jaar later is ze onverwachts weggebleven. Niks voor haar, dus ik heb gebeld, kreeg geen gehoor, heb een kaartje gestuurd en toen ik een maand later nog eens belde was de lijn dood…

Een etiketje, een nummer en een naam. Ach, mevrouw Eberhardt. Langzaam strijkend over het zachte zijden sjaaltje en loop ik naar de kassa om een euro af te rekenen.

 

Tooske Hinloopen – Zutphen, 10 juni 2016

 

Dit bericht is geplaatst in Musicolumn met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *